Hoezo sluiten?

door-chain-lock-960x250

Waarom worden kerken in de Lage Landen gesloten?

Het antwoord lijkt eenvoudig: het aantal gelovigen daalt. En dat klopt, zonder enige twijfel. De bestaande kerken zijn gebouwd met een veel groter aantal gelovigen in gedachten, waardoor de ruimte momenteel vaak te groot is, soms leeg aanvoelt tijdens de zondagse eredienst. Omdat velen nog weten hoe het jaren, decennia geleden nog was.

Het onderhoud kost ook veel geld, wordt als tweede reden vermeld. En dat zal best zo zijn, maar het gaat niet om een ruimte voorbehouden aan gelovigen, wel om een openbare ruimte waarin iederéén welkom is. En die misschien nog meer dan nu zou moeten opengesteld worden voor iedereen. Deze gebouwen vormen bovendien een belangrijk deel van het erfgoed en verdienen daardoor blijvende zorg en investering, zowel van wereldlijke als geestelijke overheden. Dat de wereldlijke overheid pleit voor nevenbestemming, in overeenstemming met de liturgische functie van de kerk, is in elk geval een legitieme eis. Open, multifunctionele kerken: het biedt ongetwijfeld vele creatieve mogelijkheden.

Maar meer nog dan een tekort aan gelovigen of het kostenplaatje (dat deels door de overheid zou moeten worden bijgepast: het betreft publiek erfgoed), is het tekort aan priesters de doorslaggevende factor achter de huidige hervormings- en herstructureringsijver die de bisdommen ontplooien. Het aantal priesters daalt, en de nog aanwezige priesters worden oud tot zeer oud (meerderheid is vaak ouder dan 65 of zelfs 70). Met minder, en oudere priesters moeten gemiddeld alsmaar meer kerken worden bediend, en dat lijkt onhoudbaar op termijn. Het veroorzaakt stress bij de nog actieve priesters die in het weekend best wat afstand met de wagen afleggen, en vaak drie eucharistievieringen per dag voorgaan.

Een tijdlang werd een dubbel model proefgedraaid: enerzijds de eucharistie (voorgegaan door een priester), anderzijds de woord- of gebedsdienst (voorgegaan door een niet-gewijde persoon). Dit model leek een zinvolle evolutie om het priestertekort op te vangen: slechts om de paar weken een eucharistie, en tussenin komt de lokale gemeenschap samen in gebeds- of woordviering. Maar gezien het aantal priesters in de komende jaren en decennia verder zal dalen, zou dit een aanzienlijke verschuiving van de eucharistie naar deze andere vormen van viering betekenen. Hoeft op zich geen probleem te zijn, want welke frequentie van eucharistie is ‘noodzakelijk’? Wekelijks indien dat kan – of men dit wenst – maar daar zegt de Bijbel eigenlijk niets over. Deze verschuiving naar woord- en gebedsdienst had de kans geboden aan de lokale gemeenschap om geleidelijk aan meer verantwoordelijkheid op te nemen: organisatorisch, financieel en liturgisch. Op die manier kwam de kleine, zichzelf organiserende gemeente uit het boek Handelingen of de vroeg-christelijke tijd terug als model naar voor.

Maar het instituut koos intussen om dit spoor te verlaten. Wellicht waren er soms onregelmatigheden in de liturgie, was het in eerste instantie wat zoeken voor de mensen die dit voorgingen of hierbij een actieve rol vervulden, of werd het aantal vrijwilligers ook kleiner en ouder. Zelforganisatie vraagt zeker offers, ook van nieuwe mensen, en tijd om zich te realiseren. Maar vooral ook actieve ondersteuning vanuit het bisdom zelf. Die bleef achterwege: er werd getolereerd, minimaal omkaderd, maar niet echt gevoed en begeleid.

Ingezet wordt nu op een meer gecentraliseerd model, met bundeling van de aanwezige krachten en een liturgie waarin koor, zangleiding, lectoren beter gevormd zijn. Dat dit tot een hogere esthetische kwaliteit van de liturgie zal leiden, is evident. Men hoopt daardoor nieuwe mensen warm te maken om mee te vieren. Op deze hypothese is alles gebaseerd.

De vraag is of dit het ideale, en het énige, model is voor de toekomst. Want wie parochies samenbrengt, verliest ook een aantal mensen (omwille van de afstand en mobiliteitsbeperkingen). Bovendien leidt het samenbrengen van krimpende gemeenschappen tot een – weliswaar grotere – maar nog steeds krimpende gemeenschap. Doe eens de oefening: Voeg 5 parochies met 100 gelovigen die de eucharistie bijwonen, en die gemiddeld 5 personen per jaar kleiner worden (verschil van overlijdens en gedoopte en gevormde actieve gelovigen die er bijkomen). Elk van die parochies zou binnen 20 jaar theoretisch uitgestorven zijn. Maar wat als je ze samenvoegt? Dan krijg je theoretisch een groep van 500 gelovigen (uit een groter gebied, dus anoniemer), die gemiddeld met 25 personen per jaar inkrimpt. Dezelfde 20 jaar dus voor deze groep uitgestorven zou zijn. De cruciale veronderstelling is dus dat de fusie nieuwe gelovigen naar de kerk kan brengen. Gezien de grootschaligheid, en de onvermijdelijke anonimiteit die dan een risico vormt, is dat nog maar de vraag. De kathedralen in de steden van de Lage Landen zitten momenteel verre van vol. Bovendien zijn grotere kerken soms ook ruimtes die door hun rijke tot overdadige esthetiek afleiden van het contemplatieve aspect van de liturgie.

Kleine gemeenschappen, in vrij eenvoudige parochiekerken of andere liturgische ruimtes, is een manier van bidden en vieren die zeker ook mérites heeft. Maar die op termijn schaarser dreigt te worden. Terwijl dat misschien niet hoeft. Waarom geen én-én model? Wekelijkse parochievieringen (woord-, gebedsdienst of eucharistie), en maandelijks een gezamenlijke viering in een grotere centrale kerk: zo voel je je lid van een lokale én een grotere gemeenschap van medechristenen.